De mier
Mieren zijn
interessante, veelal kleine insecten die tot de angeldragende
vliesvleugeligen worden gerekend en daarom nauw verwant
zijn aan wespen en bijen. En net als veel wespen en bijen
vormen de meeste soorten kolonies. Dergelijke kolonies
kunnen net als die van de honingbijen jaren in stand
blijven. Ook bij mieren wordt het hart van de kolonie
gevormd door de koningin. Ook bij mieren doet zij niet
veel meer dan eieren leggen. Ook mieren kennen werksters,
maar bij mieren zijn dat soms hooggespecialiseerde dieren:
verzorgsters blijven hun hele leven in het nest en verzorgen
de larven en poppen, bouwsters bouwen het nest, onderhouden
het en zorgen voor een zo goed mogelijke temperatuur.
De echte werksters verlaten het nest om, al dan niet
collectief, voedsel te gaan halen. Bij sommige mieren
zijn er zelfs verkenners die op zoek gaan naar voedselvoorraden
en die dan de rest van het nest inlichten als ze wat
gevonden hebben. Deze werksters zien er allemaal een
klein beetje anders uit: de echte werksters zijn groter
en sterker dan de verzorgsters bijvoorbeeld. Daarnaast
zijn er soldaten: zeer grote mieren met veel gif en krachtige
kaken. Sommige mieren kunnen pijnlijk bijten. Dat gaat
in twee etappes: eerst bijten de grote kaken door de
huid heen. Dit kun je wel voelen, maar is nauwelijks
pijnlijk. Dan richten de mieren hun achterlijf op het
zojuist gemaakte zeer kleine wondje en spuiten er mierenzuur
op. En dat voel je wel degelijk! Zo verdedigen ze het
nest tegen indringers (andere mieren, parasieten en dergelijke)
en beschermen soms ook de echte werksters op hun tochten.
Al die mieren zijn vrouwtjes. Eén tot twee keer
per jaar worden er nieuwe koninginnen geboren en mannetjes.
De koninginnen vliegen uit om nieuwe kolonies te stichten.
Vlak voor het uitvliegen, maar ook wel tijdens het uitvliegen,
worden ze dan door de mannetjes bevrucht. Deze sterven
kort daarna. In de kolonie zelf hebben ze geen enkele
taak.